De nabestaandenlijfrente

De Nabestaandenlijfrente

Een nabestaandenlijfrente is een lijfrente uitkering die bedoeld is om inkomensterugval op te vangen bij het overlijden van de verzekeringnemer of diens (gewezen) partner. De uitkeringen van de nabestaandenlijfrente moeten toekomen aan een natuurlijk persoon. Als verzekerde kunnen de verzekeringnemer zelf of zijn (gewezen) partner optreden. De uitkeringen moeten direct ingaan bij het overlijden van de verzekerde. Een nabestaandenlijfrente hoeft in één situatie niet direct in te gaan: als de overblijvende partner recht heeft op een Anw-uitkering, is het mogelijk de uitkeringen na het overlijden van de verzekerde uit te stellen. Dit uitstel is uiterlijk mogelijk tot:

  • het bereiken van de 18-jarige leeftijd van het jongste kind van de begunstigde;
  • het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van de Anw-gerechtigde die geboren is vóór 1 januari 1950;
  • het bereiken van de 21-jarige leeftijd van het kind dat recht heeft op een Anw-wezenuitkering en begunstigde is voor een nabestaandenlijfrente;
  • het eindigen van het recht op de Anw-uitkering.

Looptijden van een Nabestaandenlijfrente

De verzekeringnemer is vrij om te bepalen wie hij als begunstigde op een nabestaandelijfrente opneemt. Maar het moet wel een natuurlijk persoon zijn. De uitkering kan levenslang of tijdelijk zijn. Bij een tijdelijke uitkering moet de looptijd worden gebaseerd op het 1% sterftekans criterium. Dat betekent dat de looptijd dusdanig lang moet zijn, dat er sprake is van een 1% kans op overlijden van de verzekerde. Komen de uitkeringen toe aan een bepaalde groep verwanten (naaste familiekring)? Dan gelden nadere voorwaarden voor de duur van de uitkeringen. Onder deze groep van verwanten vallen de bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, met uitzondering van de (gewezen) partner. Hiertoe behoren:

  • de wederzijdse ouders;
  • (over)grootouders;
  • (klein)kinderen;
  • broers en zusters;
  • ooms en tantes;
  • de kinderen van broers en zusters.

Aanverwanten van een persoon zijn de bloedverwanten van de partner (schoonfamilie). Bij deze groep mogen de uitkeringen uitsluitend eindigen bij het overlijden van de gerechtigde (levenslang) of uiterlijk op het tijdstip waarop deze de leeftijd van 30 jaar bereikt. Aangezien de statistische overlijdenskans voor kinderen tot de 30-jarige leeftijd bijzonder klein is, bestaat de kans dat de tijdelijke lijfrente niet voldoet aan het 1%-criterium. Voor deze vorm geldt het 1%-criterium dan ook niet.

Een voorbeeld

Alex heeft een nabestaandenlijfrente op zijn leven gesloten met zijn twee zoons als begunstigden. Stel dat hij komt te overlijden op het moment dat zijn kinderen 33 en 25 jaar zijn. De 25-jarige zoon kan na het overlijden van zijn vader een lijfrente afsluiten die tijdelijk of levenslang kan zijn. Hij heeft daarbij de vrije keuze. Als hij voor een tijdelijke lijfrente kiest, dan dient deze uiterlijk te eindigen op het moment dat hij 30 jaar wordt. De lijfrente die de 33-jarige zoon ontvangt, moet in minimaal 20 jaar uitgekeerd worden.

Wil je hier meer over weten?

Neem dan contact met mij op!

Met vriendelijke groet, Wilbert Boon

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *