Solidariteit in pensioenregelingen!

SOLIDARITEIT IN PENSIOENREGELINGEN

In het leven geroepen om de risico’s in de pensioenregeling te verdelen. Het gaat dan om de risico’s rond sterfte, langleven en arbeidsongeschiktheid. Daar is niks mis mee. Immers met elkaar kunnen we dergelijke risico’s gemakkelijk delen. Individueel is dat nagenoeg onbetaalbaar. Bij verzekeringen zijn de bekendste voorbeelden dat we met zijn allen een premie betalen, zodat de financiële lasten verlicht worden bij brand of gezondheid. Maar wat zijn de risico’s in de pensioensfeer? Allereerst het sterfterisico (kort leven). Dat geeft aan dat er nog onvoldoende gespaard is, om de nabestaande een partnerpensioen te betalen bij voortijdig overlijden van de deelnemer. Je kunt je voorstellen dat als je na 1 jaar deelnemerschap overlijdt en je weduwe leeft nog 50 jaar, er niet voldoende geld in “jouw” pot zit om dat nabestaandenpensioen te kunnen betalen. Het langlevenrisico is het tegenovergestelde. De deelnemer leeft langer dan op grond van sterftekansen wordt verwacht. De pot is dan op een gegeven moment ook leeg. Bij de meeste pensioenfondsen wordt de pensioenopbouw ook voortgezet wanneer de deelnemer arbeidsongeschikt wordt. Ook dat moet ergens van betaald worden. Dit is opgelegde solidariteit in pensioenregelingen.

JONG BETAALT VOOR OUD

Vervelender wordt het als in collectieve pensioenverzekeringen (veelal in bedrijfstakpensioenfondsen) doorsneepremies worden gehanteerd. Dat is een systeem waarbij de per werknemer berekende pensioenkosten van alle deelnemende bedrijven in een bedrijfstak opgeteld worden en vervolgens verdeeld worden over alle deelnemers aan de regeling als bijvoorbeeld een percentage van de totale loonsom. Hierdoor is voor iedere deelnemer het percentage dat men betaalt voor pensioenen gelijk.

Nu is het in de praktijk echter zo dat de prijs voor pensioen voor iedereen verschillend is. De prijs voor ouderdomspensioen wordt hoger en hoger naarmate je ouder wordt. Dat heeft twee redenen.

Ten eerste: pensioengelden worden belegd en naarmate je dichter bij je pensionering komt, kan degene die de beleggingen uitvoert één jaar minder beleggen. De pensioenpremie van een 30-jarige die op zijn 67e met pensioen gaat, kan nog 37 jaar worden belegd en daardoor geld opbrengen. Voor een 55-jarige is dat nog maar 12 jaar.

Ten tweede: elk jaar dat je één jaar ouder wordt, hoor je niet meer tot degene die dat jaar hadden kunnen overlijden en ben je dus één jaar dichter bij de uitkering die je gaat krijgen op je 67e. Pensioen krijg je alleen als je op je pensioendatum nog leeft. Hoe dichter je bij die datum komt, hoe groter de kans dat de pensioenverzekeraar moet uitkeren. Daar betaal je dus voor.

Concluderend kan je zeggen dat jongeren minder premie hoeven te betalen dan ouderen. Echter met het systeem van doorsneepremie betaalt iedereen hetzelfde percentage en betalen jongeren daarom “te veel” en ouderen “te weinig”. Het omslagpunt ligt rond de 45e verjaardag. Zolang je 40 jaar bij dezelfde werkgever blijft, geeft dat natuurlijk niet. Je gaat er dan vanuit dat in de toekomst de jongeren in die tijd betalen voor jouw pensioen, dat heb jij indertijd tenslotte ook gedaan. Ook als je van werkgever veranderde, kwam je vaak weer in een vaste baan waar hetzelfde systeem gold.

premie-als-percentage-van-salaris_1348x716_pggm

DE HUIDIGE TIJD

Dat is nu niet meer zo. Jongeren krijgen niet direct een vaste baan en hoppen makkelijker van de ene naar de andere baan, met weer een tijdelijk contract. Pensioenopbouw is dan niet vanzelfsprekend.

Het wordt nog vervelender, in deze economische tijden, nu jongeren ook meer en meer tegen een langere periode van werkloosheid aanlopen en zich “gedwongen” voelen als ZZP’er aan de slag te gaan. Als ZZP’er bouw je geen pensioen op, daar moet je zelf voor zorgen. Er is immers geen werkgever meer die daar voor zorgt. Heb je de eerste werkzame jaren uit solidariteit teveel premie betaald toen je nog bij een werkgever werkte, dan is dat premie die je nooit meer terugziet. Je loopt dan ongeveer vanaf je 45e de lagere premie mis. En pensioenopbouw in de eerste jaren als ZZP’er komt er vaak niet van, omdat je je geld nu eenmaal maar één keer kan uitgeven en dat heb je nodig om je bedrijf op te zetten en uit te bouwen.

Kortom “jong” betaalt voor “oud”. Bij bedrijfstakpensioenfondsen (alle werknemers in een bepaalde bedrijfstak zitten in één pensioenfonds, bijvoorbeeld alle havenwerknemers) betalen alle bedrijven in die bedrijfstak dezelfde premie. Bedrijven met veel jonge mensen betalen dan ook voor bedrijven met veel oudere werknemers.

LAGE LONEN BETALEN VOOR HOGE LONEN

Daarnaast betalen lagere lonen voor hogere lonen. Dit zijn veelal ook altijd jongeren en ouderen. Dat komt door de franchise, het bedrag dat de AOW voorstelt in een pensioenregeling en waarover je dus geen pensioen opbouwt. Het pensioen van je werkgever komt immers bovenop je AOW. Stel je verdient €26.000 en de franchise is €13.000, dan bouw je dus over de helft (50%) van je salaris pensioen op (€26.000-€13.000). Stel je directeur verdient €150.000 dan bouwt hij over (€150.000-€13.000) €137.000 pensioen op, dat is 91% en dus bijna het dubbele.

AOW

En dan de AOW.  Die is gebaseerd op een omslagstelsel. Dat betekent dat de werkenden van nu, betalen voor de uitkeringen van alle AOW’ers van nu. In 2011 betaalden 4 werkenden de AOW voor één niet-werkende. Volgens berekeningen is dat in 2040 2 werkenden die de AOW, voor één niet werkende opbrengen. Het betekent dat de werkende 2 keer zoveel moet betalen, terwijl er grote onzekerheid is over zijn eigen toekomstige AOW. Indien de premie gelijk blijft, ontvangt de niet werkende nog ongeveer de helft van wat nu krijgt. Een boeiende discussie, waarbij je je af moet vragen of de veel meer individualistisch ingestelde jongere een zeer hoge premie wenst te betalen voor een uitkering waarvan hij geen idee heeft of die er nog is, als hij straks gepensioneerd is.

CONCLUSIE

Bij verzekeringen speelt solidariteit een belangrijke rol. Een rol die we als nuttig en sociaal ervaren. Het gaat dan in pensioenregelingen rondom sterfte, langleven en arbeidsongeschiktheid. Zo teruglezend zit er toch een behoorlijke scheefgroei in de solidariteit. En dan hebben we het nog niet eens over het feit dat mensen zonder nabestaanden betalen voor mensen met nabestaanden of dat mannen betalen voor vrouwen (vrouwen worden immers ouder en genieten dus langer van hun pensioen). Voor het nabestaandenpensioen is dat natuurlijk net andersom (de kans dat een vrouw voor de man sterft) enzovoorts, maar dat is wellicht wat voor een volgende keer.

Kortom, wij babyboomers hebben een aantal zaken benoemd als solidariteit die daar niet echt thuishoren. Dat zijn zaken die door volgende generaties ongetwijfeld rechtgetrokken worden. Overigens herinner ik me dat in de jaren ‘90 deze discussie ook al werd gevoerd, maar na al die jaren heeft dat nog steeds niet geleid (of misschien maar mondjesmaat) tot verbetering.

WIL JE MEER WETEN?

Neem dan contact met mij op! Ook bijvoorbeeld als je als beginnende zzp-er een brief van je bedrijfstakpensioenfonds hebt gekregen, met een voorstel om de pensioenregeling voor te zetten, dan kan ik samen met jou kijken of dat interessant voor je is!

Met vriendelijke groet, Wilbert Boon

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *